Vijf indicatoren van de onderwijsinspectie - waar scholen op beoordeeld worden - zijn gebaseerd op de prestaties van de leerlingen. Een van deze indicatoren is het functioneren van de leerling nadat diegene zijn of haar diploma heeft behaald, hoewel deze indicator hoogstzelden in rekening wordt gebracht, of wordt onderzocht.
Een schoolafdeling (Vmbo, Havo of Vwo) krijgt de beoordeling voldoende - waarmee het basisarrangement wordt toegekend - zolang zij minimaal voor drie indicatoren van deze vier voldoende scoort. Indien dat niet het geval is, krijgt de afdeling de beoordeling onvoldoende, waarmee de inspectie de afdeling bestempeld als zwak.
De beoordelingen vinden jaarlijks plaats. Deze indicatoren gelden enkel voor de reguliere onderwijsvormen, binnen de niveaus Vmbo-Basis tot en met het Gymnasium.
De omschrijving van het nieuwe model staat onder deze paragraaf
De eerder genoemde vier indicatoren zijn opgedeeld in twee types: Rendementindicatoren en Resultaatindicatoren. Rechts kort weergegeven.
Tot de Rendementindicatoren behoren Onderbouwrendement en Bovenbouwrendement. Tot de Resultaatindicatoren behoren de gemiddelde centraal examen cijfers en het verschil tussen het gemiddelde schoolexamen cijfer en het gemiddelde centraal examen cijfer van een afdeling.
| Rendementindicatoren | Resultaatindicatoren |
|
Onderbouwrendement
|
Gemiddelde CE-cijfers
|
|
Bovenbouwrendement
|
Verschil SE-CE cijfers
|
| Onderbouwrendement WORDT OPGESPLITST IN HET NIEUWE MODEL | Bovenbouwrendement |
|
Oud model: Met indicator onderbouwrendement wordt gekeken naar het aantal doublures, op- en afstroom, bij de leerlingen die naar leerjaar 3 gaan. Hierbij worden ook de scores van de twee voorafgaande jaren erbij in rekening gebracht. Het drie jarig gemiddelde is de score. Zolang de school relatief goed scoord, wordt deze indicator als voldoende beoordeeld. Nieuw model: Indicator 1: Hierbij wordt gekeken naar de positie van de leerling in klas 3. Heeft de leerling op een hoger, hetzelfde of lager niveau bereikt dat de basisschool als advies heeft meegegeven.
Indicator 2: Het percentage doublures in leerjaar 1 en 2. Ook voor deze indicator krijgt de schoolafdeling de beoordeling voldoende wanneer zij voldoen aan de absolute norm. |
De indicator bovenbouwrendement is het percentage van de leerlingen die overgaan naar het volgende leerjaar en die slagen voor hun diploma.
Het gemiddelde percentage van de leerlingen die in de bovenbouw overgaan, of slagen voor hun examen wordt vermenigvuldigt met het aantal leerjaren vanaf leerjaar 3 tot en met het examenjaar. Dit wordt voor elk niveau apart berekend. In het oude model krijgt de school de beoordeling voldoende voor deze indicator als zij met hun bovenbouwrendement relatief goed scoren. In het nieuwe model moet de schoolafdeling de absolute norm behalen voor de beoordeling voldoende. |
| Gemiddelde centraal examen cijfer | Verschil SE-CE cijfers VERVALT IN HET NIEUWE MODEL |
|
De naam is vanzelfsprekend. Het gemiddelde CE-cijfer wordt berekend per onderwijsniveau. Bij het oude model geldt, net als bij onderbouw- en bovenbouwrendement, dat ook voor deze indicator de school geacht wordt om relatief goed te scoren om de beoordeling voldoende te behalen.
In het nieuwe model moet het CE gemiddelde voldoen aan de absolute norm om de beoordeling voldoende te behalen. |
Deze indicator wordt berekend per onderwijsniveau. Per leerling volgt de berekening; zijn of haar CE-cijfer minus zijn of haar gemiddelde SE-cijfer. Dit gebeurt bij alle leerlingen, waarmee een jaargemiddelde wordt berekent. Vervolgens worden de jaargemiddeldes van de twee voorafgaande jaren hierbij in rekening gebracht. Indien het verschil van de drie jaren gemiddeld 0,5 of groter is, scoort de school onvoldoende bij de jaarlijkse beoordeling.
In het nieuwe model wordt er nog wel gekenen naar deze factor, maar wordt niet meer in rekening gebracht. Toch, wanneer de school langer dan 3 jaar gemiddeld groter dan 0,5 punt scoort, kan de minister overwegen om de examenlicentie van de school (tijdelijk) in te nemen. |
Alle indicatoren met onderbouwing (oud model) staan in een document van de onderwijsinspectie: Waarderingskader 19- dec. -'13 Hierin zijn de kernindicatoren rood gemarkeerd. De bovenste vier indicatoren zijn punt 1.1 t/m 1.4.
In het oude model moest de school voor de indicatoren relatief goed scoren om de beoordeling voldoende te krijgen. Dit betekent dat 25% van de scholen per definitie de beoordeling onvoldoende kreeg voor minimaal één indicator. In het nieuwe model wordt er gehandhaafd met absolute waardes; wederom wordt de gemiddelde score over drie jaar berekend, en dat gemiddelde moet voldoen aan de norm die door de onderwijsinspectie wordt vastgesteld.
Nieuwe indicatoren
De indicator Onderbouwrendement wordt
opgedeeld in twee nieuwe indicatoren:
Onderbouwsnelheid: Het percentage leerlingen die niet doubleren in leerjaar 1 en 2. Dit percentage moet boven de norm liggen om als voldoende beoordeeld te worden. Die norm wordt per afdeling bepaald, dus voor het VMBO-T zou het percentage 94% kunnen zijn, terwijl die voor de Havo 91% zou kunnen zijn.
Onderwijspositie: De positie van de leerling in leerjaar 3 ten opzichte van het basisschooladvies. Een leerling die op het niveau zit als het geadviseerde niveau levert een neutrale score op. In de berekening wordt dit opgeteld als een 0. Leerlingen die hoger terecht zijn gekomen dan het geadviseerde niveau leveren een score van +1, en degenen die onder het geadviseerde niveau terecht zijn gekomen leveren voor de school een score van -1.
Er is echter een uitzondering voor leerlingen met
een dubbeladvies; als de leerling op het hoogste niveau van de twee geplaatst
wordt levert dat voor de school een score op van +0.5, maar als de leerling op
het laagste niveau geplaatst wordt levert dat een neutrale score op voor de
school, en wordt zij daarop niet benadeeld.
Een leerling met bijvoorbeeld het basisschooladvies ‘VMBO-T/Havo’ krijgt voor deze leerling een score van +0.5 als hij in leerjaar drie de Havo bereikt, maar krijgt een score van 0 als hij op het VMBO-T blijft.
Uiteraard levert het wel een negatieve score op, -1, indien de leerling nog verder afstroomd.
Bovenbouwsucces is de plaatsvervanger van het Bovenbouwrendement vermits deze indicator nu ook met absolute waardes te werk gaat. De berekening voor deze indicator blijft hetzelfde als bij het Bovenbouwrendement.
Dit geldt ook voor de indicator Examencijfers. Deze indicator wordt nu ook beoordeeld op een bepaalde waarde (gemiddelde examencijfers) per onderwijsniveau. Let op: de gemiddelde 'standaard voldoende', een 5,5, is voor een school nog niet voldoende! Voor elk onderwijsniveau wordt een apart gemiddeld cijfer geëist voor het centraal examen. Die waarde ligt op dit moment bijvoorbeeld voor het Vwo bij een 6.3. Scholen die daar gemiddeld onder scoren krijgen de beoordeling onvoldoende. Hieronder vind u de cijfers voor elk onderwijsniveau waar een school aan moet voldoen om de beoordeling voldoende te krijgen voor deze indicator:
| Minimaal gem. cijfers (CSE) | |
|
Vmbo-B
|
6.50
|
|
Vmbo-K
|
6.23
|
|
Vmbo-(G)TL
|
6.19
|
|
Havo
|
6.27
|
|
Vwo
|
6.30
|
Vervallen indicator
In het nieuwe model vervalt de indicator Verschil SE-CE enkel voor de beoordeling op leerresultaten. (Inmiddels oud-) Staatssecretaris Dekker realiseerde zich dat deze indicator negatieve werkingen had op de werkwijze van docenten en de resultaten van scholieren. In het concept vermeldde hij het volgende:
"De inspectie ontving regelmatig signalen over een zeer sterke sturing door schoolleiders, gericht op individuele vakken en docenten om het SE niet te hoog te becijferen. Verder leidt een koppeling tussen het SE en het CE mogelijk tot versmalling van de lesinhoud in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Hierdoor kunnen leerlingen worden benadeeld."
Voor de beoordeling voldoende wordt deze indicator niet meer in rekening gebracht, maar indien een school minimaal 3 jaar lang boven een 0,5 punt verschil scoort dan kan de minister ervoor kiezen om de examenlicentie van de school af te nemen.
De afrekening op grond van deze 4 indicatoren zorgen ervoor dat het onderwijs minder onderwijsachtig wordt. Het maakt juist van het merendeel van de scholen en leerlingen een economie. Het gevolg is dat scholen geprikkeld worden om te handelen als magnaten! De aanname van leerlingen wordt door hen gezien als koehandel. Het menselijk aspect om iemand een kans te gunnen is verdwenen.
Voordat de school een leerling aanneemt willen de meeste scholen zekerheden hebben over de leerlingen hen capaciteiten. Hierdoor worden bijvoorbeeld aanvullende testgegevens opgevraagd bij de voorafgaande school.
Risico voorbeeld: Een leerling krijgt van de basisschool een Havo-advies. Hoewel, in groep zes en zeven behaalde de leerling lage scores (wegens omstandigheden) of de vo-school krijgt geen extra testgegevens van de basisschool. Hierdoor toont de vo-school risicomijdend gedrag. Met andere woorden, de vo-school wil zijn handen niet branden aan leerlingen in dit soort situaties, waardoor diegene vermoedelijk een kans zal worden ontnomen. Ze geven toe aan de angst dat de leerling het Havo niet zal halen, omdat er geen sterke zekerheid van slagen is. De angst wordt vooral gecreëerd, tevens ook verhard door de afrekening van staatssecretaris Dekkers afrekencultuur, het percentage zittenblijvers en afstroom.
Zoals eerder omschreven, een verandering dat is aangebracht in het nieuwe onderbouwrendement: als de school een leerling met een dubbeladvies niet in staat is om de leerling op het hoogste van de twee niveaus te plaatsen, zullen zij daar niet meer op afgerekend worden. Voorheen zou de school een halve minpunt krijgen. De angst voor afstroom en doublure is hiermee nog steeds niet van de tafel. Daarbij blijft de prikkel er om leerlingen te zien als statistieken. Hoeveel meer kansen worden hierdoor dus eigenlijk gegund?
Door deze verandering kan een school zonder vrees een leerling in een brede brugklas te plaatsen, in plaats van door bijvoorbeeld enkelvoudige adviezen te eisen van de voorafgaande school. Aan het eind van de brede brugklas (de overgang van leerjaar 2 naar leerjaar 3) moet uiterlijk besloten worden of de leerling naar het hoogste of op het laagste niveau moet blijven. Leerlingen die aangeven dat zij geen baat hebben bij het laagste niveau, waarbij de school niet overtuigd is dat ze het hoogste niveau aankunnen, kunnen hier mogelijk alsnog de dupe van raken. Scholen worden voor de prestaties van leerlingen in de bovenbouw zwaarder afgerekend dan in de onderbouw.
Volgens staatssecretaris Dekker, in het debat van februari 2015, wordt een school juist geprikkeld een leerling naar het hoogst mogelijke niveau te brengen indien daar een beloning tegenover staat, bijvoorbeeld de pluspunten van het onderbouwrendement. De wijze waarmee hij zijn visie op het onderwijs toelicht, veronderstelt dat zijn visie op het onderwijs heel cynisch is: docenten en leidinggevenden worden gezien als economen die leerlingen zien als koehandel, die hij moet opvoeden door hen te belonen voor doorstroom. Op het eind in dit debat zegt hij letterlijk dat de school elke prikkel verliest om de leerlingen naar het hoogst mogelijke niveau te brengen zodra er niet meer naar het onderbouwrendement wordt gekeken.
Men zou van veel scholen en docenten kunnen verwachten dat zij gebaat zijn met kansen en doorstroom van de leerling, zonder dat daar een beloning tegenover staat. Door de gevolgen van de vier indicatoren wordt deze gedachte onderdrukt. Immers riskeert Dekker dat deze houding van docenten zal verdwijnen, wanneer de schooldirecties, enkel om op garanties te spelen, hun systemen zodanig aanpassen dat docenten hun beroep niet meer kunnen uitoefenen.
De staatssecretaris is er heilig van overtuigd dat hij een probleem de wereld uit helpt door straffen en belonen. Wellicht is zijn ‘oplossing’ hetgeen waardoor het probleem in stand blijft, oftewel door cirkelredenatie: Dekker gaat er bij voorbaat uit dat docenten en schoolbestuurders gebaat zijn om leerlingen geen kansen te bieden en de scholieren op de gemakzuchtige wijze hun schoolloopbaan te laten doorlopen. Hij stelt dat, zodra scholen niet meer beoordeeld worden op het onderbouwrendement zij niet meer afgerekend kunnen worden op het naar-beneden-drukken-gedrag van leerlingen.
Debat Tweede Kamer: Omzeilen van het schooladvies
Hierdoor ontstaat vermoedelijk het probleem: het gedrag om leerlingen naar beneden drukken is juist ontstaan door de inbreng van het onderbouwrendement om het afrekenen te voorkomen. Bijvoorbeeld bij dubbeladviezen drukt het merendeel van de scholen deze groepering - al dan niet voor de aanname - juist naar beneden, uit angst dat meer dan de helft, na de brede brugklas, op het laagste niveau zal eindigen, waar de school voor afgestraft werd. Daarom worden leerlingen meestal op het niveau gehouden op het advies van de basisschool, en wordt opstroom in het voortgezet onderwijs moeilijker.
Door het in stand houden van deze indicatoren zijn de leerlingen er voor (het systeem van) de school, in plaats van andersom. De onderwijsinspectie is bang dat scholen selectie toepassen wanneer er niet meer gekeken wordt naar deze indicatoren, met name het onderbouwrendement. Zij zijn ervan overtuigd dat zij dat kunnen voorzien. Selectie op wat? Afkomst, werkhouding en gedrag onder meer? Bij het vooroordeel worden alle scholen verdacht van selectie?
Andere selectie gronden zijn mogelijk discriminatie (afkomst, zorg, etc.). Andere scholen kunnen en willen wellicht wel meer bereidheid en ruimte bieden, maar worden onderdrukt door de vier indicatoren.
De vier indicatoren creëren juist selectie! We kunnen van de meeste scholen verwachten dat zij voor goed onderwijs kwaliteit gaan en open staan voor verbeteringen. Desalniettemin, scholen die (relatief) laag scoren op hun resultaatindicatoren, kunnen zich gedwongen voelen om de overgangsnormen voor de leerlingen te verhogen. Op die manier zorgen de leerlingen die goed scoren voor een beter resultaat gemiddelde, al gaat het iets ten koste van hun rendementsindicatoren. Dit leidt tot onnodige doublures en, zoals vaker vermeld, wordt er gekeken naar de zekerheid van slagen. Er is dus wel degelijk sprake van selectie!
In het debat van 25 februari 2015 (Vmbo-MBO en overgangen in het onderwijs) wordt volgens dhr. van Dijk (SP) de wet niet correct nageleefd, wat ten koste gaat van scholen en scholieren. Leerlingen die op de basisschool een hoger niveau scoren op de eindtoets, dan dat de basisschool als schooladvies meegaf krijgen het voordeel van de twijfel. Die leerlingen zullen niet in rekening gebracht te worden bij de berekening van het onderbouwrendement. Volgens dhr. van Dijk worden zij wel meegerekend, wat hij aangeeft met een artikel uit de Volkskrant.
Wanneer deze situatie werd nagevraagd aan de staatssecretaris werd er verondersteld dat deze wet wel wordt nageleefd, hoewel hij niet adequaat kon of wilde reageren op het voorbeeld uit de Volkskrant. Door het gegeven antwoord lopen er twee stellingen door elkaar heen. Eerst stelt de staatssecretaris dat er wordt gekeken naar het schooladvies van de leerling, voordat diegene de eindtoets had gemaakt. Later stelt hij echter dat de inspectie het aantal op- en afstroom onderzoekt en niet naar de leerling individueel wordt gekeken.
Zijn scholen bang dat de laatste stelling toegepast wordt? Bijvoorbeeld als een leerling na Vmbo-T/Havo 1 naar Havo 2 gaat, maar vervolgens weer afstroom naar het Vmbo-T, dat de school daarvoor afgestraft wordt?
Mijn inziens moet het onderwijssysteem flexibeler en vrijer zijn dan dat het zich heden ten dage voordoet. Die vrijheid is er, maar scholen durven hier geen gebruik van te maken uit de angst dat zij geen houvast meer hebben op de leerlingen hun resultaten. Als die namelijk ‘laag’ zijn dan wordt de school aansprakelijk gesteld met dank aan de afrekencultuur.
Voor, bijvoorbeeld stoornissen die kunnen leiden tot onderprestatie van de leerling, zijn nog geen concrete oplossingen. Dit wordt op dit moment nog niet (h)erkend door alle scholen. Om naar de oplossing van onderprestatie te zoeken moet aan scholen vrijheid gegeven worden voor experimenten, zodat die groepering niet buitenboord valt. Voor elke leerling verschilt de oplossing.
Leerlingen met bepaalde stoornissen of die laatbloeiers zijn, al dan niet doordat zij slachtoffer zijn van een kwestie, zoals overlijden van een ouder, of leerlingen die misplaatst of ongeplaatst zijn, raken gedupeerd door de afrekencultuur. Kansen worden hen ontnomen, doordat zij ‘risicofactoren’ zijn voor de beoordeling van de school, op de Resultaat- en Rendementindicatoren. Een school ontwijkt risicofactoren doordat zij afgerekend worden indien zij onvoldoende scoren voor twee of meer van deze indicatoren.
Het cynische beeld van
staatssecretaris Dekker over de houding van docenten en leerlingen wordt steeds
meer waarheid zolang deze afrekencultuur in stand blijft. Risicoleerlingen
zullen eerder een kans worden gegeven
zodra scholen niet meer afgerekend worden op deze indicatoren.
Daarom is mijn voorstel om scholen meer vrijheid te geven door hen niet meer af te rekenen op de prestaties van leerlingen en dat het percentage zittenblijvers en afstromers en het gemiddelde CE-cijfer niet meer in rekening gebracht wordt bij de beoordeling van een school.